G-Atletiek.nl

 
Zoeken

Reglementen VB atletiek in Nederland.

Op deze pagina, vindt u de officiële reglementen voor VB atletiek in Nederland. 

Leeftijden:
Bij VB atletiek hebben we vier leeftijdscategorieën benoemd, te weten: Pupillen, Junioren 1, Junioren 2 en Senioren. De leeftijdscategorieën lopen gelijk met de leeftijdsindelingen van de KNAU voor reguliere atleten, met dien verstande dat wij minder groepen hebben.
Pupillen komen overeen met Pupillen c, b en a valide atletiek
Junioren 1 komen overeen met Junioren d en c.
Junioren 2 komen overeen met Junioren b en a.
Senioren bevatten alle senioren en masters.

Voor het indoorseizoen 2006/2007 en het outdoorseizoen 2007 in geboortejaren uitgedrukt.
Pupillen t/m het geboortejaar 1996
Junioren 1 van geboortejaar 1995 t/m geboortejaar 1992.
Junioren 2 van geboortejaar 1991 t/m geboortejaar 1988
Senioren geboren in 1987 of eerder.

Richtlijnen wedstrijdreglement breedtesport VB wedstrijden in Nederland.

Categorieën

Binnen de breedtesport wordt tijdens een wedstrijd een scheiding gemaakt in sekse en leeftijd.

Om een wedstrijd element te creëren is er gekozen voor de verdeling van 4 categorieën bij zowel de mannen als de vrouwen.

 

Categorie 1

Pupillen

Pupillen C, leeftijd t/m 8 jaar.

Pupillen B, leeftijd t/m 9 jaar.

Pupillen A, leeftijd t/m 11 jaar.

Categorie 2

Junioren CD

Junioren D, leeftijd t/m 13 jaar.

Junioren C, leeftijd t/m 15 jaar

Categorie 3

Junioren AB

Junioren B, leeftijd t/m 17 jaar.

Junioren A, leeftijd t/m 19 jaar.

Categorie 4

Senioren

Senioren leeftijd 20 jaar en ouder.

(Peildatum is 31 december van het lopende kalenderjaar)

  

Pupillen

De pupillen doen de volgende onderdelen.

60 meter

De atleet is niet verplicht om vanuit het startblok te starten.

De atleet mag zijn/haar baan verlaten mits hij/zij niemand hindert.

400 meter

Er wordt gelopen in banen.

Wanneer de atleet zijn/haar baan opzettelijk verlaat of iemand hindert wordt hij/zij gediskwalificeerd.

Balwerpen

Pupillen C werpen met 80/100 gram.

Pupillen B werpen met 140/160 gram.

Pupillen A werpen met 170/200 gram.

Er wordt bovenhands geworpen.

Kogelstoten

Pupilen C stoten met 1 kg

Pupillen B stoten met 2 kg

Pupillen A stoten met 2 kg

Indien een atleet fysiek niet in staat is om de bij zijn/haar leeftijdscategorie behorende gewichten te hanteren mag met een lichtere kogel gestoten worden. In de einduitslag wordt deze atleet echter altijd achter de atleten geplaatst die met het juiste gewicht gestoten hebben.

Verspringen

Alle atleten springen vanuit het afzetvlak dat achter de balk ligt.

Hoogspringen

Met 1 voet afzetten.

Aanvangshoogte is 55 cm.

4x100m

Starten uit startblok is niet verplicht.

Er mogen atleten uit verschillende categorieën deelnemen in hetzelfde team. De oudste loper geeft de indeling aan.

Mixed teams lopen bij de jongens/heren mee.

 Junioren CD (Junioren 1)

De junioren CD doen de volgende onderdelen.

80 meter

De atleet is niet verplicht om vanuit het startblok te starten.

De atleet mag zijn/haar baan verlaten mits hij/zij niemand hindert.

400 meter

Er wordt gelopen in banen.

Wanneer de atleet zijn/haar baan opzettelijk verlaat of iemand hindert wordt hij/zij gediskwalificeerd.

Balwerpen

Junioren 1 werpen met 170/200 gram.

Er wordt bovenhands geworpen.

Kogelstoten

Meisjes junioren D stoten met 2 kg.

Meisjes junioren C stoten met 3 kg.

Jongens junioren D stoten met 3 kg.

Jongens junioren C stoten met 4 kg.

Indien een atleet fysiek niet in staat is om de bij zijn/haar leeftijdscategorie behorende gewichten te hanteren mag met een lichtere kogel gestoten worden. In de einduitslag wordt deze atleet echter altijd achter de atleten geplaatst die met het juiste gewicht gestoten hebben.

Verspringen

Atleten springen vanaf de balk.

Indien een atleet niet in staat is om vanaf de balk te springen mag er vanuit het afzetvlak gesprongen worden. In de einduitslag wordt deze atleet echter altijd achter de atleten geplaatst die vanaf de balk gesprongen hebben.

Hoogspringen

Met 1 voet afzetten.

Aanvangshoogte is 55 cm.

4x100m

Starten uit startblok is niet verplicht.

Er mogen atleten uit verschillende categorieën deelnemen in hetzelfde team. De oudste loper geeft de indeling aan.

Mixed teams lopen bij de jongens/heren mee.

 Junioren AB (Junioren 2)

De junioren AB doen de volgende onderdelen.

100 meter

De atleet is niet verplicht om vanuit het startblok te starten.

De atleet mag zijn/haar baan verlaten mits hij/zij niemand hindert.

400 meter

Er wordt gelopen in banen.

Wanneer de atleet zijn/haar baan opzettelijk verlaat of iemand hindert wordt hij/zij gediskwalificeerd.

Balwerpen

Junioren 2 werpen met 170/200 gram.

Er wordt bovenhands geworpen.

Kogelstoten

Meisjes junioren B stoten met 3 kg.

Meisjes junioren A stoten met 4 kg.

Jongens junioren B stoten met 5 kg.

Jongens junioren A stoten met 6 kg.

Indien een atleet fysiek niet in staat is om de bij zijn/haar leeftijdscategorie behorende gewichten te hanteren mag met een lichtere kogel gestoten worden. In de einduitslag wordt deze atleet echter altijd achter de atleten geplaatst die met het juiste gewicht gestoten hebben.

Speerwerpen

Meisjes junioren B werpen met 600 gram.

Meisjes junioren A werpen met 600 gram.

Jongens junioren B werpen met 700 gram.

Jongens junioren A werpen met 800 gram.

Indien een atleet fysiek niet in staat is om de bij zijn/haar leeftijdscategorie behorende gewichten te hanteren mag met een lichtere speer geworpen worden. In de einduitslag wordt deze atleet echter altijd achter de atleten geplaatst die met het juiste gewicht geworpen hebben.

Discuswerpen

Meisjes junioren B werpen met 1 kg.

Meisjes junioren A werpen met 1 kg.

Jongens junioren B werpen met 1,5 kg.

Jongens junioren A werpen met 1,75 kg.

Indien een atleet fysiek niet in staat is om de bij zijn/haar leeftijdscategorie behorende gewichten te hanteren mag met een lichtere discus geworpen worden. In de einduitslag wordt deze atleet echter altijd achter de atleten geplaatst die met het juiste gewicht geworpen hebben.

Verspringen

Atleten springen vanaf de balk.

Indien een atleet niet in staat is om vanaf de balk te springen mag er vanuit het afzetvlak gesprongen worden. In de einduitslag wordt deze atleet echter altijd achter de atleten geplaatst die vanaf de balk gesprongen hebben.

Hoogspringen

Met 1 voet afzetten.

Aanvangshoogte is 55 cm.

4x100m

Starten uit startblok is niet verplicht.

Er mogen atleten uit verschillende categorieën deelnemen in hetzelfde team. De oudste loper geeft de indeling aan.

Mixed teams lopen bij de jongens/heren mee.

 Senioren (en Masters)

De senioren doen de volgende onderdelen.

100 meter

De atleet is niet verplicht om vanuit het startblok te starten.

De atleet mag zijn/haar baan verlaten mits hij/zij niemand hindert.

400 meter

Er wordt gelopen in banen.

Wanneer de atleet zijn/haar baan opzettelijk verlaat of iemand hindert wordt hij/zij gediskwalificeerd.

Balwerpen

Senioren werpen met 170/200 gram.

Er wordt bovenhands geworpen.

Kogelstoten

Dames stoten met 4 kg.

Heren stoten met 7,25 kg.

Indien een atleet fysiek niet in staat is om de bij zijn/haar leeftijdscategorie behorende gewichten te hanteren mag met een lichtere kogel gestoten worden. In de einduitslag wordt deze atleet echter altijd achter de atleten geplaatst die met het juiste gewicht gestoten hebben.

Speerwerpen

Dames werpen met 600 gram.

Heren werpen met 800 gram.

Indien een atleet fysiek niet in staat is om de bij zijn/haar leeftijdscategorie behorende gewichten te hanteren mag met een lichtere speer geworpen worden. In de einduitslag wordt deze atleet echter altijd achter de atleten geplaatst die met het juiste gewicht geworpen hebben.

Discuswerpen

Dames werpen met 1 kg.

Heren werpen met 2 kg.

Indien een atleet fysiek niet in staat is om de bij zijn/haar leeftijdscategorie behorende gewichten te hanteren mag met een lichtere discus geworpen worden. In de einduitslag wordt deze atleet echter altijd achter de atleten geplaatst die met het juiste gewicht geworpen hebben.

Verspringen

Atleten springen vanaf de balk.

Indien een atleet niet in staat is om vanaf de balk te springen mag er vanuit het afzetvlak gesprongen worden. In de einduitslag wordt deze atleet echter altijd achter de atleten geplaatst die vanaf de balk gesprongen hebben.

Hoogspringen

Met 1 voet afzetten.

Aanvangshoogte is 55 cm.

4x100m

Starten uit startblok is niet verplicht.

Er mogen atleten uit verschillende categorieën deelnemen in hetzelfde team. De oudste loper geeft de indeling aan.

Mixed teams lopen bij de jongens/heren mee.

 Let op:

Het is mogelijk dat er in de dezelfde categorie, door het leeftijdverschil, met verschillende juiste wedstrijdgewichten wordt gewerkt. De verste stoot met het juiste wedstrijdgewicht is de winnende stoot.

 

Voorbeeld

Meisjes junioren 1; Sandra is D junior en stoot met een 2 kg kogel 8.61m en Bianca is C junior en stoot met een 3 kg kogel 8.54 cm. In dit geval heeft Sandra de winnende stoot gemaakt. Beiden stoten met het juiste wedstrijdgewicht. Dus de verste gestoten afstand telt.

  

Meerkamp

De meerkamp is in principe vrij, organisaties kunnen zelf voor een meerkampvorm kiezen. Bijvoorbeeld: een sprint-, spring en loopnummer.

 

De Atletiekunie kent wel twee officiële meerkampvormen, deze zijn internationaal vast gelegd.

Jongens/Heren: Verspringen, speerwerpen, 200 meter, discuswerpen, 1500 meter.

Meisjes/Dames: Verspringen, speerwerpen, 200 meter, discuswerpen, 800 meter.

Wedstrijden VB Breedtesport

 

De Atletiekunie raad organiserende verenigingen van een VB breedtesport wedstrijd het volgende aan;

  • Deelname is voor een ieder waarvan aannemelijk is dat hij/zij een verstandelijke beperking heeft.
  • Maak tijdens de wedstrijd gebruik van het wedstrijdreglement VB Breedtesport.
  • Biedt onderdelen aan die in het wedstrijdreglement VB breedtesport staan beschreven.
  • Maak gebruik van het VB Breedtesport puntentellingsysteem (aan te vragen bij de Atletiekunie).
  • Laat verenigingen bij de inschrijvingen aan geven met welke gewichten de atleten stoten en of de atleet vanaf de balk of vanuit het afzetvlak gaat verspringen.
  • De jurering is gelijk aan andere wedstrijden binnen de Atletiekunie, mits in het reglement anders beschreven staat.
  • Kondig de wedstrijd ook aan via de wedstrijdkalender op www.atletiek.nl en natuurlijk www.g-atletiek.nl
  • Prijzen voor de nummers 1, 2, en 3 per categorie.

 Nationaal evenement

 

Deelname

Voor een ieder waarvan aannemelijk is dat hij/zij een verstandelijke beperking heeft. Met uitzondering van de atleten uit de nationale selectie, tenzij zij schriftelijk toestemming hebben van de Bondscoach.

 

Organisatie

De organisatie stelt in overleg met de Atletiekunie het programma samen en een limiet van een maximum aantal nummers per atleet. Het wedstrijdreglement VB breedtesport wordt tijdens het Nationaal Evenement gehanteerd.

 

Inschrijving

Trainers dienen bij de inschrijving aan te geven met welke gewichten de atleten stoten en of de atleet vanaf de balk of vanuit het afzetvlak gaat verspringen

Trainers dienen met de inschrijving van de atleten ook prestatie te vermelden van deze atleten. Atleten worden op basis van deze gegevens ingedeeld in de juiste serie/groep van minimaal 3 maximaal 8 atleten. Het streven is dat er tussen de atleten die geplaatst zijn in dezelfde serie/groep er een zo klein mogelijk verschil zit.

Mocht een atleet tijdens de wedstrijd 15% beter presteren dan zijn op gegeven prestatie dan wordt deze atleet onderaan de uitslagenlijst geplaatst. Bij het balwerpen geldt een maximum van een 20% verbetering.

Coaches, trainers. Begeleiders kunnen de opgegeven prestaties tot een week van te voren wijzigen.

 

Groepsindeling

Stap 1

Mannen en vrouwen scheiden.

Stap 2

De 4 categorieën scheiden. Bij veel deelname categorieën verder scheiden binnen de leeftijdscategorieën van de Atletiekunie.

Stap 3

Onderscheid maken op gewicht of springend vanaf balk of vlak.

Stap 4

Scheiden naar opgegeven prestaties.

Stap 5

Minimaal 3 en maximaal 8 atleten per groep.

 

Prijzen

Per serie/groep zijn er medailles voor de nummers 1, 2 en 3. Voor alle deelnemers is er een herinnering.

 

 

Verenigingen kunnen bij de Atletiekunie kenbaar maken dat zij de organisatie van het Nationaal Evenement op zich willen nemen. Het evenement vindt 1 keer per 2 jaar plaats. De voorkeur gaat uit naar het eerste weekend van juni.

 

Reglementen ONK baan en meerkamp 2008.
Programma
DAG 1, aanvang niet voor 11.00
Onderdeel
Vrouwen
Mannen
200 meter
T20
Series en finale
T20
Series en finale
800 meter
T20
Series op tijd
T20
Series op tijd
5.000 meter
 
 
T20
Finale
Verspringen
F20
Finale
F20
Finale
Kogelstoten
F20
Finale
F20
Finale
Discuswerpen
F20
Finale
F20
Finale
 
DAG 2, aanvang niet voor 11.00
Onderdeel
Vrouwen
Mannen
100 meter
T20
Series en finale
T20
Series en finale
400 meter
T20
Series op tijd
T20
Series op tijd
Hoogspringen
F20
Finale
F20
Finale
H.S.S.
Alle klassen
Finale
Alle klassen
Finale
Speerwerpen
F20
Finale
F20
Finale
De uitslag wordt bepaald door de tijd / prestatie om te rekenen in punten. (IPC point score system)
 
Inschrijving
In verband met de screening dient de inschrijving 3 weken voor de datum van het NK gesloten te worden. Bij de inschrijving dient een prestatie te worden opgegeven, die is behaald tussen 1 april van het jaar voorafgaand aan het NK en de sluitingsdatum van de inschrijving.
 
Richtprestaties / screening
Onderdeel
Vrouwen
Richtprestatie
Mannen
Richtprestatie
100 meter
T20
24,00
T20
16,00
200 meter
T20
35,00
T20
30,00
400 meter
T20
01:30,00
T20
01:15,00
800 meter
T20
03:30,00
T20
02:40,00
1 500 meter
 
 
T20
05:30,00
   
5 000 meter
 
 
T20
20:00,00
Hoogspringen
F20
1,00
F20
1,10
Verspringen
F20
2,80
F20
3,30
Kogelstoten
F20 4 kg
5,00
F20 7,25 kg
6,00
Discuswerpen
F20 1 kg
10,00
F20 2 kg
15,00
Speerwerpen
F20 600 gr
10,00
F20 800 gr
15,00
 
Na de sluitingsdatum zullen de inschrijvingen worden gescreend door de technisch gedelegeerde(n), vertegenwoordigers van de lokale organisatie en eventueel een vertegenwoordiger van de Afdeling Topevenementen, om:
  • de opgegeven geboortedata, nationaliteit, classificatie en prestatie op juistheid te controleren;
  • te bepalen welke atleten kunnen deelnemen en welke onderdelen aan de hand van de binnengekomen inschrijvingen komen te vervallen;
  • aan de hand van inschrijvingsgegevens de definitieve aanvangs- en vervolghoogten en balkafstanden bij het hink-stapspringen vast te stellen.
 
Doorgaan onderdeel
Op het tijdstip van sluiting van de inschrijving:
Een onderdeel vindt slechts doorgang als minimaal 3 startgerechtigde atleten daarvoor officieel hebben ingeschreven. Bij minder dan 3 ingeschreven atleten kunnen de inschrijvingen van verschillende klassen worden samengevoegd. Als er dan nog steeds minder dan 3 ingeschreven atleten zijn, wordt het betreffende onderdeel geschrapt als onderdeel van het kampioenschap. Alle betrokkenen worden hiervan tijdig schriftelijk in kennis gesteld.
 
Op de wedstrijddag:
Een onderdeel vindt slechts doorgang wanneer zich bij het verstrijken van de 1e meldingstijd, in de callroom en bij de start minimaal 3 atleten voor dit onderdeel hebben aangemeld en van start zijn gegaan. Indien er zich op een onderdeel geen 3 deelnemers hebben gemeld, kan de technisch gedelegeerde bepalen om klassen samen te voegen.
 
Overgangsregels looponderdelen
§        De 6 cq. 8 tijdsnelsten gaan over naar de finale. 
Bijzondere aandachtspunten
§           De deelname aan het NK staat open voor atleten met een lichamelijke en/of een verstandelijke beperking;
§           Atleten met een lichamelijke beperking moeten een classificatiekeuring hebben ondergaan waarin de klasse is vastgesteld waarin zij mogen uitkomen;
§           Voor atleten met een verstandelijke beperking is vooraf geen bewijs van classificatie nodig. Echter Nederlandse titels worden pas formeel toegekend op het moment dat een bewijs van classificatie in klasse 20 kan worden overlegd;
§           Atleten mogen aan maximaal 5 onderdelen deelnemen;
§           Het kampioenschap wordt door de Afdeling Topevenementen voor buitenlandse deelnemers opengesteld.
§           Gezien het open karakter van dit kampioenschap verdient het de aanbeveling om naast de prijsuitreiking voor de eerste drie Nederlanders ook de eerste drie van het onderdeel te huldigen.

Regelgeving Special Olympics Nederland.

Atletiek

De Officiële Special Olympics sportreglementen zijn geldig voor alle Special Olympics atletiekwedstrijden. Special Olympics heeft deze reglementen gebaseerd op de reglementen van de International Association of Athletics Federations (IAAF). De IAAF regels gelden voor internationale evenementen. Bij wedstrijden op regionaal en nationaal niveau mogen de eigen nationale reglementen worden toegepast, tenzij deze in strijd zijn met de Special Olympics reglementen. In dat geval zijn de Officiële Special Olympics sportreglementen van kracht.

Een atleet met het syndroom van Down bij wie sprake is van ‘Atlanto-axiale instabiliteit’ mag niet deelnemen aan de vijfkamp en aan hoogspringen.

Algemeen
Special Olympics werkt met het systeem van Divisioning. Dit systeem zorgt dat ook "minder" goede atleten kansen op medailles hebben. Hiervoor worden atleten en atletes op de volgende punten onderverdeeld:
Scheiding 1 is Sexe ( mannen bij mannen en vrouwen bij vrouwen)
Scheiding 2 is Leeftijd (klasse 8 t/m 11 jaar, 12 t/m 15 jaar, 16 t/m 20 jaar, 21 jaar t/m 39 jaar, 40 jaar en ouder)

Scheiding 3 is Prestatie tijdens divisioning (divisies van maximaal 8 atleten/atletes wiens prestaties maximaal 10% uit elkaar liggen).
In Nederland wordt regelmatig met minder leeftijdscategorieën gewerkt en/of na divisioning eerst op prestatie en dan pas op leeftijd gescreend.
Diskwalificatie:Atleten en atletes worden gediskwalificeerd als zij in de finale een prestatie behalen die 15% of meer beter is dan de presatie in de divisioning. Als een atleet/atlete tijdens de divisioning slecht scoort, kan de coach (via een formulier) een betere prestatie opgeven, deze wordt dan gebruikt bij de divisioning en natuurlijk ook voor de 15% regel. 

A Officiële onderdelen.

De loopnummers: 100 meter, 200 meter, 400 meter, 800 meter, 1.500 meter, 3.000 meter, 5.000 meter, 10.000 meter, halve marathon, marathon, 100 meter horden (dames), 110 meter horden (heren), estafette 4 x 100 en 4 x 400 meter.

De springnummers: hoogspringen en verspringen.

Het Werpen: kogelstoten 4 kg (heren), 3 kg jongens 8 t/m 11 jaar en dames, 2 kg meisjes 8 t/m 11 jaar.

De meerkamp: de meerkamp bestaat uit de volgende onderdelen 100 meter, verspringen, kogelstoten, hoogspringen, 400 meter, bij voorkeur over twee dagen te spreiden (dag 1 onderdeel 1 t/m 3; dag 2 onderdelen 4 en 5).

Snelwandelen: 400 en 800 meter.

Wandelen: 1.500 meter, 3.000 meter, 5.000 meter en 10.000 meter.

Rolstoelnummers

100 meter, 200 meter en 400 meter, kogelstoten (mannen 2 kg, vrouwen 1 kg).

De volgende onderdelen zijn met name zinvol voor sporters met een lager vaardigheidsniveau:

25 meter en 50 meter hardlopen

25 meter, 50 meter en 100 meter wandelen.

softbal werpen, verspringen uit stand
De "vet" afgedrukte onderdelen worden in Nederland op Nationale en Regionale Special Olympics, gebruikt. Het verspringen uit stand wordt in Belgische wedstrijden met enige regelmaat gebruikt.

Nederland:
In Nederland wordt onderscheid gemaakt tussen de zogenaamde regionale special olympics en nationale special olympics. Tijdens de nationale special olympics is sprake van 2 dagen wedstrijd. Dag 1 voor de divisioning en dag 2 voor de finale. De regionale special olympics worden over het algemeen in één dag afgewerkt ('s morgens divisioning en 's middags finale).

 

B Wedstrijdreglement

 

1. Algemene reglementen en aanpassingen voor loopnummers

Startblokken:

In alle wedstrijden tot en met de 400 meter hebben de atleten de keuze om zowel met als zonder startblokken te starten. Tijdens de wedstrijden, ongeacht de atleten wel of niet gebruik maken van de startblokken, is het commando van de starter in het Engels, Frans of de eigen taal “Op uw plaatsen”, “Klaar” en als alle atleten klaar staan wordt het startschot gegeven.

Bij wedstrijden van 800 meter en langer is het commando “Op uw plaatsen” en wanneer alle atleten stil staan, valt het startschot. Een atleet mag de grond niet met de hand(en) aanraken.

De start van wedstrijden langer dan 400 meter: 
800 meter: de atleet loopt de eerste bocht binnen de lijnen van zijn/haar baan
en mag naar de binnenste baan keren bij de gemarkeerde lijn, na de eerste bocht.

1500 meter en langer: een “watervalstartwordt gebruikt.

Start van estafettes

a) 4x 100 meter: iedere loper die wacht op zijn binnenkomende teamgenoot (met het estafettestokje) mag niet met hardlopen beginnen buiten het overnamegebied, maar start binnen dat gebied.

b) 4x 400 meter: de eerste ronde wordt in zijn geheel binnen de lanen gelopen. De tweede loper start binnen zijn/haar laan en mag deze verlaten na het passeren van de lijn aan het eind van de eerste bocht. In de 4x 400 meter waar niet meer dan 4 teams aan deelnemen, wordt aangeraden om tot en met de eerste bocht in de eerste ronde in lanen te lopen.

Valse start:
Een atleet die twee valse starts heeft veroorzaakt in dezelfde race, wordt voor die race gediskwalificeerd.

Laan overtreding:

In alle wedstrijden moet binnen de lanen worden gelopen, elke atleet moet binnen de aangewezen laan lopen vanaf de start tot en met de finish. Dit is ook van toepassing op een gedeelte van de race (estafette).

Als een atleet door een andere atleet geduwd of gedwongen wordt om buiten zijn/haar laan te lopen en als dit geen wezenlijk voordeel geeft voor deze atleet, dan moet hij/zij niet gediskwalificeerd worden.

Als een atleet op het rechte stuk buiten zijn/haar laan loopt, of loopt naast de buitenste lijn van zijn laan in de bocht en dit geen wezenlijk voordeel geeft aan de atleet en hij/zij hindert geen andere atleet hierbij, dan mag de atleet niet gediskwalificeerd worden.

Snelwandelen:

Een atleet moet te allen tijde met één voet contact houden met de grond. Tijdens alle snelwandelwedstrijden hoeft een atleet zijn vooruit brengende been niet gestrekt te houden.

Tijdens snelwandelwedstrijden tot en met de 400 meter kan een atleet worden gediskwalificeerd, zonder waarschuwing vooraf, indien naar de mening van twee of meer officials een onrechtmatig voordeel wordt behaald.

Horden:

De hoogte bij de 100 meter horden is 0,762 meter, waarbij de afstand naar de eerste horde vanaf de startlijn 13 meter bedraagt. De afstand tussen de hordes bedraagt 8,5 meter en de afstand van de laatste horde tot aan de finishlijn bedraagt 10,5 meter

De hoogte bij de 110 meter horden is 0,84 meter, waarbij de afstand naar de eerste horde vanaf de startlijn 13,72 meter bedraagt. De afstand tussen de hordes bedraagt 9,14 meter en de afstand van de laatste horde tot aan de finishlijn bedraagt 14.02 meter.

2. Algemene reglementen voor veldonderdelen

Metingen:

Bij het verspringen, verspringen vanuit stand en de werponderdelen (kogelstoten, softbal werpen en tennisbal werpen) krijgt iedere atleet drie niet-opeenvolgende pogingen. Alle drie de pogingen worden opgemeten en genoteerd per poging. De langste afstand van de drie pogingen wordt gebruikt voor de score.

Verspringen:

Bij het verspringen moet een atleet minimaal 1 meter kunnen springen vanaf de afzetbalk tot in de verspringbak.De afstand wordt gemeten vanaf het punt van de afdruk van welk lichaamsdeel dan ook dat het dichtst bij de afzetbalk is.

Bij springonderdelen mogen de atleten geassisteerd worden door een official om een punt te markeren waarvandaan ze starten.

Aanpassing Special Olympics Nederland:

Bij het verspringen kan in plaats van een afzet vanaf de balk, ook worden gekozen om gebruik te maken van een afzet vanuit of voor een wit gemarkeerd vlak, waarvan de lengte en breedte respectievelijk 80 en 133 cm moet bedragen. Gezien vanuit de aanlooprichting, vormt de balk in het afzetvlak, de achterste grens van het vlak en ligt het dichtst bij de springbak. De afstand tussen het afzetvlak en de rand van de bak moet minimaal 50 cm bedragen. 

Verspringen vanuit stand:

Atleten starten met beide voeten op de grond, achter de gemarkeerde startlijn. Op het moment van de start moeten de tenen van de atleet achter de startlijn zijn. Een atleet gebruikt beide voeten bij de afzet. Hij/zij mag de voeten naar achteren op de hielen rollen en naar voren op de tenen, maar mag geen van beide voeten van de grond tillen. Voor alle sprongen geldt dat de afstand wordt gemeten van de dichtstbijzijnde afdruk van het landingsgebied, gemaakt door welk deel van het lichaam dan ook, tot aan de startlijn. Indien mogelijk wordt met klem aanbevolen om verspringen vanuit stand in een zandspringbak uit te voeren. De startlijn wordt geplaatst op het einde van het hardloopvlak die bij het verspringen wordt gebruikt. Indien er gebruik gemaakt wordt van een mat, dan moet deze lang genoeg zijn voor zowel de afzetbalk als het landingsgebied. De mat moet bovendien veilig vast liggen om het slippen van de mat te voorkomen. Bij springonderdelen mogen de atleten voorafgaand aan de wedstrijd geassisteerd worden door een official om een punt te markeren waarvandaan ze starten.

Hoogspringen:

De atleet mag bij de sprong met maar één voet afzetten. De minimum aanvangshoogte voor alle hoogspring wedstrijden bedraagt 1 meter.

Aanpassing Special Olympics Nederland De minimum aanvangshoogte die door Special Olympics Nederland wordt gehanteerd bedraagt 60 cm.

Atleten mogen niet voorover de stok heen duiken en het is ook niet toegestaan om met twee voeten tegelijk af te zetten.

Een atleet met het syndroom van Down bij wie sprake is van atlanto-axiale instabiliteit mag niet deelnemen aan de vijfkamp en aan hoogspringen. Voor aanvullende informatie en de procedure hiervan is terug te vinden in artikel I, paragraaf L, lid 7 en sub f van het algemeen Special Olympics reglement.

Wanneer er een gelijke stand is bij hoogspringen, ook na het terugtellen van de foute sprongen, krijgen de atleten met de gelijke stand dezelfde plaats in de wedstrijd.

Kogelstoten

De kogel mag van staal, koper of met een synthetisch stof bedekt zijn. Het is toegestaan om een atleet in een rolstoel in de gewone divisie van kogelstoten deel te laten nemen, maar het gewicht van de kogel moet wel hetzelfde zijn voor alle atleten. Een goede stoot wordt gemaakt binnen de ring. Gedurende de poging mag de atleet, of zijn/haar rolstoel niet de bovenkant van het stopbord raken, de bovenkant van de ijzeren ring of elk vlak buiten de ring. Het is wel toegestaan om de binnenkant van het stopbord of de ijzeren ring te raken.

Het gebruik van wat voor mechanische hulp dan ook is verboden. Om blessures te voorkomen mag alleen de pols ingetaped worden. De stoot mag met één hand vanaf de schouder worden gestoten. Als een atleet in de ring de houding aanneemt om zijn stoot te beginnen, moet de kogel contact hebben met de hals of met de kin of zich daar heel dichtbij bevinden. De hand mag niet naar beneden zakken tijdens de stoot. De kogel mag niet vanachter de schouderlijn worden gestoten. De stoot zal fout gegeven worden en niet opgemeten worden nadat hij de ring binnenkomt en start met de stoot en de atleten pleegt iets van het volgende:

hij gebruikt een methode welke in strijd is met de regels van kogelstoten;  omdat de stoot op of buiten het gemarkeerde landingsgebied valt.

Softbal werpen:

Dit onderdeel is met name zinvol voor sporters met een lager vaardigheidsniveau.

1) Een 30 cm cirkelvormige softbal wordt gebruikt.

2) Atleten mogen iedere vorm van gooien toepassen.

3) Het gooigebied moet als volgt opgesteld worden:

De baan moet gemarkeerd worden met twee witte lijnen van 5 cm breed en 4 meter uit elkaar (5 meter lang). De worp wordt gedaan vanachter een cirkelvormige werplijn met een straal van 2,92 meter. Het landingsgebied wordt

gemarkeerd met witte lijnen van 5 cm breed. Het gebied is 40°.

3. Algemene regels voor de vijfkamp

De vijf onderdelen waaruit de vijfkamp is opgebouwd moeten in de volgende volgorde plaatsvinden: 100 meter, verspringen, kogelstoten, hoogspringen en de 400 meter.

De Special Olympics vijfkamp scoretabellen zijn apart op te vragen bij SON.

De vijfkamp wordt uitgevoerd op 1 dag. Echter bij een evenement van twee opeenvolgende dagen kunnen de onderdelen 1, 2 en 3 op de eerste dag plaatsvinden en de onderdelen 4 en 5 op de tweede dag.

4. Algemene regels voor rolstoelonderdelen

Atleten die deelnemen aan rolstoelonderdelen mogen ook deelnemen aan andere onderdelen binnen het atletiek toernooi.

Rolstoel:

Het is acceptabel om een atleet in een rolstoel deel te laten nemen in de reguliere divisie van kogelstoten, maar het gewicht van de kogel moet wel gelijk zijn aan dat van alle andere atleten. Alleen atleten die zich in een rolstoel voortbewegen mogen deelnemen. Atleten mogen niet worden geduwd, getrokken of op enige andere wijze geholpen

worden tijdens de race. De lanen voor rolstoelevenementen zijn twee sporen breed.

Algemene regels voor sporters met een visuele en auditieve beperking

Een touw of een ziende begeleider mag gebruikt worden om de sporter met een visuele beperking te begeleiden.

Een ziende begeleider mag op geen enkele manier dan ook, voor de atleet uitlopen. De ziende meelopende begeleider mag nooit aan de sporter trekken of de sporter naar voren duwen.

 Voor sporters die doof en blind zijn wordt een start middels aantikken gebruikt. Meelopende begeleiders moeten een fel oranje hesje dragen zodat ze duidelijk onderscheiden worden van de atleten. Deze hesjes moeten door de organisatie

beschikbaar worden gesteld.